Trombosebeen

Wanneer een bloedstolsel een ader in uw been afsluit, heeft u een trombosebeen. Dit wordt ook wel een diepveneuze trombose (DVT) genoemd. Omdat het bloed niet meer weg kan stromen, zwelt het been op. Een trombosebeen kan leiden tot een (levensgevaarlijke) longembolie, daarom is het belangrijk om bij klachten direct contact op te nemen met uw huisarts.

Symptomen van een trombosebeen

Klachten die gepaard kunnen gaan met een trombosebeen zijn:
• Een vrij snel optredende zwelling van één been.
• Een zwaar gevoel of pijn in het been (kan sterk lijken op spierpijn, echter eenzijdig en geen blessure of overbelasting van tevoren).
• Een rode of juist blauwachtige verkleuring van het been.
• Een lichte temperatuursverhoging.
• Een strakgespannen huid van het been (rood en glanzend).

Bovenstaande klachten kunnen ook wijzen op andere aandoeningen in het been, zoals een zweepslag of een huidinfectie. Neem echter bij klachten die kunnen wijzen op een trombosebeen wel altijd contact op met een arts.

Een trombosebeen vaststellen

Wanneer de arts een sterke verdenking heeft op een trombosebeen, dan zal een echo van de beenvaten worden gemaakt. Bij een minder hoge verdenking wordt vaak gekozen om eerst bloedonderzoek te verrichten. Wanneer deze waarde normaal is, is er geen sprake van een trombose en is een echografisch onderzoek niet nodig. Wanneer deze waarde verhoogd is, is er mogelijk sprake van een trombose en zal aanvullend alsnog een echo van de beenvaten gemaakt worden. Geregeld is de waarde door een andere oorzaak verhoogd, zonder dat sprake is van een trombose (bijvoorbeeld door een recente ontsteking). Daarom is een verhoogde waarde alleen niet genoeg om de diagnose te stellen en is aanvullende echografie nodig om zeker te weten dat het om een trombosebeen gaat.

Behandeling van een trombosebeen

De behandeling van een trombosebeen bestaat uit antistollingsmedicatie, een steunkous (met zo nodig voorafgaand zwachtelen) en, indien aanwezig en mogelijk, het behandelen van de onderliggende oorzaak.

Antistollingsmedicatie
Antistollingsmedicatie zorgt ervoor dat uw bloed minder snel stolt. Hierdoor neemt de kans op trombose af. In het geval van een bestaande trombose zorgen deze middelen ervoor dat er geen nieuwe stolsels vormen en het bestaande stolsel niet groter wordt. Antistollingsmedicatie lost het stolsel dus niet op. Dat doet uw lichaam zelf. Hier gaan echter enkele weken tot enkele maanden overheen.

Er zijn veel verschillende soorten antistollingsmiddelen. Welk soort voorgeschreven wordt, is afhankelijk van onder meer de reden voor antistolling, de nierfunctie en de andere medicatie die gebruikt worden. Voor de behandeling van veneuze trombose zijn er de volgende categorieën:
Vitamine K Antagonisten (VKA) - (Acenocoumarol, Fenprocoumon)
Directe Orale Anticoagulantia (DOAC) - (Apixaban, Dabigatran, Edoxaban, Rivaroxaban)
Laagmoleculaire Gewichtsheparines (LMWH) - (Tinzaparine, Nadroparine, Enoxaparine)

Trombosepolikliniek
Indien er bij u een trombosebeen is vastgesteld, zal er binnen enkele weken een afspraak voor u worden gemaakt op de Trombosepolikliniek. Deze polikliniek is ondergebracht op de polikliniek Hematologie/Oncologie. Tijdens uw bezoek aan de Trombosepolikliniek wordt met u besproken hoe het met u gaat, wat de oorzaken zijn van de trombose en wordt de behandeling besproken. Ook zal er lichamelijk onderzoek worden verricht. Uiteraard is er ook mogelijkheid uw vragen te stellen.

Steunkous
Zodra de trombose in uw been is vastgesteld, krijgt u een tijdelijke steunkous (tubigrip) en een afspraak op de poli Dermatologie. Als uw been nagenoeg niet gezwollen is, wordt direct een steunkous aangemeten. Wanneer uw been gezwollen is, zal deze eerst twee keer per week worden gezwachteld. Door deze zwachtels zal de zwelling in uw been afnemen en krijgt het extra ondersteuning. Zodra blijkt dat de zwelling in uw been voor zover mogelijk verdwenen is, wordt een steunkous aangemeten.

Het dragen van een steunkous is, naast het toedienen van antistollingsmedicatie, een belangrijk onderdeel van de behandeling van een trombosebeen. Bij een trombosebeen is een deel van de hoofdader van het been afgesloten door een bloedstolsel. Hierdoor wordt het been rood en dik. Het bloed komt immers via de slagader nog wel in het been, maar kan er niet meer goed uit. De zwelling kan worden tegengegaan door druk van buiten. Dit gebeurt door zwachteltherapie en door het dragen van een elastische kous. Gelukkig is het been voor de afvoer van bloed en vocht niet helemaal afhankelijk van het diepe adersysteem alleen. Er zijn ook veel oppervlakkige aders, via welke het bloed afgevoerd kan worden. De kous ondersteunt dit proces.

Uw behandelend arts bespreekt met u hoe lang en op welke momenten u de steunkous moet dragen.

Gevolgen van een trombosebeen

Het stolsel dat tijdens een diepe trombose is ontstaan, veroorzaakt in een klein deel van de gevallen schade aan de klepjes in de ader. Normaal gesproken zorgen de klepjes ervoor dat het naar het hart teruggepompte bloed niet terugstroomt als u rechtop staat. Als de klepjes door de eerdere trombose niet meer goed functioneren, dan kan het bloed gemakkelijk terugstromen. Hierdoor neemt de druk op de kleine haarvaatjes toe. Het bloed staat als het ware stil in gedeelten van de ader, waar het een ontstekingsreactie kan geven. Als dit gebeurt, dan is er sprake van een posttrombotisch syndroom (PTS). Dit syndroom ontstaat bij ongeveer een kwart van de patiënten die een trombosebeen heeft gehad.

Klachten passend bij een PTS:
• Een zwaar, moe gevoel of kramp rondom de eerdere trombose.
• Vochtophoping (oedeem), dat meestal toeneemt in de loop van de dag.
• Eczeem.
• Spataderen.
• Een dunne, glanzende huid.
• Verkleuringen van de huid.
• Moeilijk genezende wonden (open been).

Vaststellen van een PTS
De diagnose PTS wordt gesteld op basis van de huidverschijnselen en de voorgeschiedenis, namelijk de eerder doorgemaakte trombose. Verder kan een PTS worden onderzocht door middel van een duplexonderzoek. Het duplexonderzoek is een combinatie van ultrageluidsgolven en echo-onderzoek om het adersysteem van het been in beeld te krijgen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd op de polikliniek vaatchirurgie. Aansluitend op dit duplexonderzoek bezoekt u de vaatchirurg. Deze zal met u de uitslagen bespreken.

Wat kunt u doen om een PTS te voorkomen?
• Voorkom langdurig stilstaan.
• Zorg voor voldoende beweging (lopen, fietsen, zwemmen) en draag daarbij de elastische kous (ook bij warm weer).
• Voorkom overgewicht.
• Vermijd knellende kledingstukken, zoals strakke broeken, elastieken banden en dergelijke.
• Zorg voor gemakkelijk schoeisel. Hoge hakken verhinderen de pompwerking van de kuitspieren.
• Leg de benen omhoog bij langdurig zitten. Zo nodig kan ook het voeteneind van het bed iets worden verhoogd, mits u daar niet kortademig van wordt.

Afspraak maken

Op werkdagen van
8.30 tot 16.30 uur:

015 - 260 40 80